zondag 21 juni 2009

Sierk Schaafsma en Anne Schaafsma-Dijkhuis postuum onderscheiden

Uit: Nieuw Israelisch Weekblad, www.niw.nl

Radiointerview over Sierk Sierd Schaafsma met Tjeerd Schaafsma en Christiaan Schaafsma.
Uitzending Wat Blijft RKK Radio 5 12 september 2010

Tjeerd Schaafsma heeft in bijzijn van Walter Guttmann en omringd door zijn familie, die van zijn broer Jan Tjeerd en vrienden, in het Fries Verzetsmuseum de onderscheiding ”Rechtvaardigen onder de Volkeren” voor zijn overleden ouders in ontvangst genomen.

“In verband met het verzetsverleden van mijn vader Sierk Sierd Schaafsma, in leven gemeenteontvanger in de gemeente Dabtumadeel (Fr.), heb ik u op 26 september 2003 een brief geschreven”.Zo begint de brief die Jan Schaafsma, jongste en in december 2006 overleden zoon van Sierk en Anna Schaafsma, naar Yad Vashem in Jeruzalem schreef.

Het relaas dat daarna volgt, leent zich bijna voor een oorlog- en verzetsnovelle.
Het verzamelen van getuigenverklaringen van o.a. Joodse onderduikers was voor Schaafsma Jr. een onmogelijke opgave, omdat allen inmiddels waren overleden.

Jan Schaafsma verzamelde informatie bij officiële instanties en ontdekte een verzetsverleden van zijn vader waar, zoals hij schrijft “zowel moeder als wij (de twee kinderen) absoluut geen weet van hebben gehad”. Zijn broer Tjeerd en hij komen er achter, dat hun vader heeft meegewerkt aan diverse wapentransporten voor het verzet. Dat hun vader als administrateur van het Nationaal Steun Fonds een belangrijke rol heeft gespeeld in de financiële organisatie van de Spoorwegstaking. Voorts ontdekken zijn zonen nóg een bijzonder staaltje van onverschrokkenheid.


Sierk Schaafsma solliciteerde tijdens de bezetting naar de functie van burgemeestersecretaris van de gemeente Stedum, een functie onder Duits gezag; een NSB functie. Deze sollicitatie was echter zorgvuldig voorbereid in samenwerking met enkele topmensen uit het Nederlandse Verzet. Het was de bedoeling om in het bezit te komen van alle in Stedum aanwezige persoonsbewijzen en bonkaarten en er mee van door te gaan. Sierk werd echter verraden; het gezin moest zich halsoverkop enkele maanden schuil houden in een ander dorp.
Het grootste deel van zijn werkzaamheden bestond evenwel, zoals Jan Schaafsma schrijft ”uit het opvangen en onderbrengen van joodse onderduikers”. Omdat Sierk een NSB buurman had werkte hij nauw samen met een verzetsvriend uit Broeksterwoude. Deze kon veel joden die voor een onderduikadres bij de familie Schaafsma aanklopten, verder helpen. Ofschoon bijna alle namen verloren zijn gegaan, duiken er in het relaas van Jan toch enkele op: die van de joodse slager Leo Marcus uit Zwolle en zijn vrouw Hilde, die beiden een korte tijd bij het gezin Schaafsma in huis waren. En van Selma Frank, een Duits joodse vrouw.

Yad Vashem krijgt informatie over haar van een zekere Walter Guttmann, voor wie zij in 1938 als een tweede moeder wordt, een jaar na het overlijden van zijn eigen moeder. Eind 1939 scheiden hun wegen. Walter en zijn broer worden met een kindertransport naar Nederland gezonden. Selma Frank vlucht datzelfde jaar eveneens naar Nederland. Ze vindt in Zwolle, bij Leo en Hilde Marcus, korte tijd onderdak tot deze familie ook zelf moet onderduiken. Voor Selma wordt een schuilplaats gevonden bij Sierk en Anna Schaafsma in Murmerwoude, waar ze bijna twee jaar zal blijven. Door de kinderen wordt ze tante Hennie genoemd.

“Zelfs de beste vrienden van vader en moeder hadden geen flauw vermoeden dat ze joods was en waren na de oorlog zelfs verontwaardigd dat ze zo voor de gek gehouden waren” schrijft Jan Schaafsma. Als Selma Frank en Walter Guttmann elkaar hervinden in 1945, brengt Selma hem meteen in contact met de familie Schaafsma. In 1947 vertrekt ze naar Amerika, waar zij een nieuw leven opbouwt en in 1977 overlijdt. Walter Guttmann bezit een door Selma in het Duits geschreven verslag over de onderduikjaren bij de Schaafsma’s. Hieronder enige fragmenten.

" …mevrouw Schaafsma opende de deur en bracht me in het kantoor. Ik dacht: dit wordt het zoveelste doorgangshuis maar ze vroeg of ik wilde blijven. Het leek me een zeer aardige familie…Zij heette Anna en hij Sierk. De twee jongens, 4 en 6 jaar oud, sloten meteen vriendschap met me. Hiermee begon mijn aangenaamste onderduiktijd……

Ik bleek me te midden van een groep verzetswerkers te bevinden. ‘s Avonds bracht mevrouw mij bonkaarten. Toen ik wilde betalen zei Sierk verontwaardigd “geen sprake van”. En mijn schoenen die geen zolen meer hadden werden meteen gerepareerd. Voor onderduikers kon alles……voor Sierk was het het mooiste, me volledig “legaal” te maken. Het lukte hem: Ik werd ingeschreven in het bevolkingsregister als Hennie Beumer en was geboren in Bierum (Gr.). Toen voor mij alles in orde was, smeekte ik hem ook Hilde en Leo Marcus legaal te maken. Zo heeft hij veel joden uit handen van de Nazi’s gered…"



----------------------
Informatie op Yad Vashem: http://db.yadvashem.org/righteous/family.html?language=en&itemId=5465957

Helaas spreekt het verhaal van Siek en niet van Sierk.

Siek and Anna Schaafsma, both in their forties, lived with their two children, Jan and Tjeerd, four and six years old, in Murmerwoude (currently Damwoude, prov. Friesland). They were strict Calvinists. Early on in the war, Siek became involved with resistance groups in Friesland and when in late 1942 they were approached to help Jews fleeing deportation, they stepped forward. 
First came Selma Frank, born in 1904, a refugee from Germany, who after fleeing Kristallnacht, had been taken in by a Jewish family in Zwolle. When she arrived at the front door of the Schaafsmas, she was hungry and exhausted. The Schaafsma’s immediately fed and clothed her and generally made her feel at home. After some time, Siek managed to get false papers for her, in the name of Hennie Beumer, a housekeeper by profession, supposedly born in Groningen. Siek arranged many such documents for other Jews. When after some time Selma found out that some members of her adoptive family from Zwolle had to leave their own hiding address, she asked her hosts if they could help out in any way. The Schaafsmas said that they could come temporarily until they could find a more secure address and also obtain false papers. Thus, in May 1944, Leonard and Hilda Marcus and their nine-year-old daughter Fien, arrived. Fien indeed moved on, but Leo and Hilda stayed. The Schaafsmas even arranged a family meeting in their home for all the Marcuses, as they had not seen for some years their other daughter Francis who was in hiding elsewhere in the area. Soon the Marcus couple bonded with the Schaafsmas and, as “refugees from Rotterdam”, they could easily account for their different accents. They joined the Schaafsmas at church where no questions were asked. 
In December 1944, German soldiers entered the house a number of times searching primarily for men who were dodging forced labor in Germany. In one such search, Leo Marcus was discovered and arrested; however, Siek Schaafsma managed to have him released. 
Siek himself also needed to go underground, as his resistance activities had become too well known. 
Both Selma and the Marcus couple survived the war. Selma stayed in touch even after her emigration to the United States. Contact with Marcus was lost after their immigration to Israel.

On August 27, 2006, Yad Vashem recognized Siek Sierd and Anna Jacoba Schaafsma as Righteous Among the Nations. [Show less ]

------------------------------------------------

Het hele verhaal, geschreven door oudste zoon en broer Tjeerd Jan Schaafsma, t.g.v. de uitreiking van Yad Vashem:

Het Elfde Gebod.
Door T.J. Schaafsma1. Aristocratische vluchtelingen.
Ik herinner me, dat het vlak voor etenstijd was, toen ik twee mensen op onze stoep zag staan, een man en een vrouw. Hun silhouetten stonden duidelijk afgetekend tegen de herfstlucht. Hoewel ze voorname kleren aanhadden, was er iets droefgeestigs en verlopens in hun gezichten. Ik had geen idee, waar ze vandaan kwamen.

Het huis anno 2009, Hoofdstraat 77 Damwoude


Er was trouwens niet zoveel, waar ik destijds een helder idee van had, want ik was nog een kind op vijfjarige leeftijd, dat meer mijn gedachten bij spelen had, dan bij iets anders. Maar ik was wel uittermate nieuwsgierig. Toen ik mijn hals uitrekte om die nieuwsgierigheid te bevredigen, zag ik, dat dit niet de gebruikelijke bezoekers waren van het kantoor van mijn vader, dat ook in ons huis was gevestigd. Ze droegen geen klompen, die de mensen uit het dorp gewoon waren uit te doen, voordat ze een beetje schuw de gang in kwamen, die naar het kantoor leidde, om daar belasting te betalen.
Vader was gemeenteontvanger, een onkreukbare, precieze ambtenaar, die bij de meeste mensen niet erg geliefd was, vooral niet bij degenen, die elk jaar weer op zijn kantoor de gemeentelijke hondenbelasting moesten betalen, zowel voor vrij rondlopende honden als voor waakhonden. Op Zaterdagavonden gebeurde het nogal eens, dat rondzwervende
groepjes vrijgezelle jongmannen op fietsen voorbij-kwamen, en plagerig in koor riepen: "Skaasma, skaasma, hounebaas" als ze ons huis voorbijkwamen. Wij als kinderen konden dat dat goed horen, omdat wij in het kamertje met het dakkapelletje aan de voorkant van het huis sliepen. Door de dorpelingen werd Vader echter gerespecteerd, en in feite behoorden wij met de burge-meester en de gemeente-secretaris tot de upper ten van het dorp, zodat Moeder werd aangesproken met "Frou Skaasma" en met "Yo" (U), en niet met haar voornaam, zoals alle anderen. Vader werd door iedereen met "ontvanger" aangesproken.
Moeder haastte zich naar de voordeur en liet de zojuist aangekomen gasten binnen, nadat ze hun verhaal had aangehoord. Ik luisterde goed, en hoorde dat ze Achilles en Charlotte heetten. De achternamen herinner ik me niet, of heb ik destijds niet gehoord. Moeder fluisterde met Vader: "Wie zijn deze mensen?" Vader probeerde Moeder te kalmeren en zei zachtjes: "Het zijn koloniale vluchtelingen uit Indië. Een goede kennis heeft mij gevraagd of ze hier een paar dagen konden blijven. Het spijt me, dat ik was vergeten je dat te vertellen." Moeder wond zich daar erg over op, wat ik kon zien aan de rode vlekken, die op haar wangen verschenen, maar ze liet zich niet verleiden tegen haar man een hoge toon aan te slaan. Ze slaakte een diepe zucht, haalde haar schouders op, en keerde haar gezicht naar de vluchtelingen met een geruststellende glimlach. Ze verontschuldigde zich bij de gasten, en bracht mij naar bed, samen met mijn broertje van drie jaar.

Ik heb zelf niet meegemaakt, wat er die nacht is voorgevallen, en zodoende kan ik de gebeurtenissen alleen maar reconstrueren uit wat ik opving van fragmenten van de gesprekken tussen mijn ouders gedurende de daarop volgende dagen en lang daarna.
Moeder had een speciale gave, in het bijzonder als ze onder druk stond, dat ze dingen zag en wist, die niemand anders kon zien of weten, meestal omdat men dacht dat ze niet belangrijk genoeg waren om er aandacht aan te schenken. Soms moesten die gebeurtenissen nog plaatsvinden, of gebeurden ze op dat moment totaal ergens anders. Ze deed er zelf altijd wat lacherig over, maar eigenlijk nam ze die signalen wel degelijk serieus. Die nacht was het weer zo ver, dat haar gave tot leven kwam.

In het holst van de nacht rees Moeder plotseling omhoog in bed, klaarwakker. Ze pakte Vader bij de schouder en schudde hem wakker, en zei met iets dringends in haar stem:"Sjirk, ik denk dat we Joden in huis hebben." Ze hoefde verder niets te zeggen. Het was 1942 en de Duitsers waren al begonnen met een grootscheepse jacht op Joden. Het was zeker, dat het in huis nemen of zelfs verbergen van Joden op zijn minst tot een arrestatie zou leiden, of nog erger, als het uitkwam. Vader was onmiddellijk ook klaar wakker, omdat hij al goed op de hoogte was van de kwaliteit van Moeders' voorgevoelens. Hij wreef de slaap uit zijn ogen, zei geen woord, trok haastig iets over zijn pyjama aan en ging naar de gastenkamer.

Toen hij terug kwam, knikte hij: "Je had gelijk, Anne. Ze schaamden zich erg, dat ze het ons niet verteld hadden. We moeten beslissen wat we nu moeten doen."
"Ze kunnen niet blijven", zei Moeder, maar niet zonder aarzeling. "Maar vannacht kunnen ze in ieder geval blijven. Morgenochtend moeten ze vertrekken voordat het licht wordt".
"Vrouw" zei Vader ernstig; zo sprak hij Moeder niet vaak toe. "Ik denk, dat je wat vergeet."
Ze keek heel verrast. "Wat?"
"Ik herinner me dat in het boek Jesaja of Jeremia iets staat over het verbergen van vluchtelingen.“

Hij keek om zich heen, en pakte de huisbijbel, en zij deed hetzelfde met haar Bijbeltje. Ze begonnen beiden door dat deel van het Oude Testament te bladeren. Het duurde een tijdje, en beiden zochten ingespannen naar de bedoelde tekst.
Toen wees Moeder plotseling naar Jesaja 16. "Hier staat het in het laatste deel van vers 3: "Verberg de verdrevenen, verraad de vluchtelingen niet."
Vader zei droogjes: "Zie je wel?"

In het flauwe licht van het bedlampje keken ze elkaar aan.
Ze deden nog een poging de onafwendbare conclusie te ontlopen. "Maar in Jesaja waren het Moabieten, geen Israelieten...," zei één van hen, maar toen hielden ze gauw stil, en keken elkaar in in de ogen, beschaamd hoe hol hun excuses klonken. Hun besluit stond eigenlijk al vast.
Zij hadden het elfde gebod gevonden.

Op deze onopvallende manier begon hun geheime verzet tegen het Nazi regiem, en daarmee hield het beslist niet op, zoals later is gebleken.
Later op die avond hoorde ik wat gestommel van de gasten, toen ze hun bed opzochten.
Onze gasten waren mijn ouders heel dankbaar voor de gastvrijheid, die zij hen geboden hadden, en bewogen zich vrij in ons huis, en vertoonden zich ook voor de ramen, toen ze zich eenmaal thuis voelden.

Een paar dagen later kwam de buurman even langs. Dat was heel ongewoon, want hij was lid van de Nationaal Socialistische Beweging (N.S.B.), die met de Duitsers samenwerkte. Hij besefte heel goed, dat mijn ouders zijn politieke keuze absoluut niet konden waarderen, en daarom vermeed hij zoveel mogelijk contacten met hen.

De man zei wat zenuwachtig tegen Vader: "Als U een paar Joden in Uw huis wilt hebben, kan ik U daarvan niet weerhouden, maar zet ze dan in ieder geval niet voor het raam."
De boodschap kreeg de aandacht, die hij verdiende en na deze subtiele bedreiging verlieten onze gasten al gauw daarna ons huis.
Pas een paar maand later begon Vader zich af te vragen, wat de "goede kennis" in gedachten had, toen hij hem het onschuldige verzoek deed om de "vluchtelingen uit Indië" onderdak te verlenen. Was het een test geweest om te zien in hoeverre hij te vertrouwen was? Die vraag kreeg nooit een bevredigend antwoord, omdat de "kennis" in een gevangenkamp verdween.

De winter kwam dichterbij en de laatste weken vertoonden de bomen al hun kale takken, die scherp tegen de grijze lucht afstaken. De kachel in de achterkamer moest aan; die werd gestookt met turf, van samengeperst kolenstof gemaakte "briketten", en wat steeds zeldzamer werd: met anthraciet. Elke dag moest de asla geleegd worden en Moeder had vooral in het winterseizoen heel wat werk het stof uit de kamers te weren.
Vooraanzicht van het huis van mijn ouders aan de Hoofdweg G 191, te Murmerwoude. Hier speelde zich alles af, wat in dit verhaal wordt verteld.Vader was tegen die tijd druk bezig op het kantoor, achter zijn bureau van Slavonisch eiken, dat hij van grootvader had geërfd. Een jongedame met de naam Lenie Zwaan, was zijn assistente. Zo nu en dan keek ze over de lage gordijntjes naar de straat, die in die jaren helemaal niet druk was. Elke auto was daarom interessant en de moeite waard om naar te kijken, en dat deed ze daarom vaak. Vader merkte dat wel, maar maakte zich daar niet druk om, zolang ze haar werk maar op tijd af kreeg. In feite hield hij er van zo nu en dan met zijn assistente een praatje te maken, of besprak hij met haar een administratieve kwestie. Beide zaten ze met hun zijkant naar het dichtstbijzijnde raam gericht, dat op de straat uitzag. Omdat ze met de rug naar elkaar toe zaten, praatten ze met elkaar zonder elkaar te zien.

Mijn Vader vluchtte door deze tuin naar de nabijgelegen tuin van de buren, van wie het
dak van het huis net zichtbaar is.Op een dag begon hij weer een gesprek met haar, maar ze gaf geen antwoord, wat hij eerst niet eens merkte. Toen hij tenslotte opkeek, schrok hij van haar lijkwit gezicht. Ze wees naar de straat.
Vader zag een lage, open Volkswagen van de geuniformeerde Sicherheitsdienst (SD), de gevreesde Duitse geheime dienst. (De SD is niet te verwarren met de gevreesde Gestapo, de Geheime Staats Polizei, met andere woorden de geheime staatspolitie. Twee officieren, met hun pet arrogant naar boven gericht, stapten uit, laadden een koffer uit de bagagebak, en liepen met besliste stappen in de richting van onze voordeur. Vader wachtte hun aankomst niet af, maar rende door de gang naar de achterdeur.

Ik was buiten aan het spelen, toen ik deze verbazingwekkende gebeurtenis gadesloeg, en hem over het hekje zag springen, dat de scheiding vormde tussen onze tuin en die van de politiek onbetrouwbare buren. Toe verdween hij tussen de met bomen omringde tuinen van de verder gelegen huizen. Ik dacht niet lang na, en toen scharrelde ik zo snel als ik kon naar de achterkant van de tuin en sprong over de bijna droge sloot op het weiland aan de andere kant. Vaag voelde ik, dat ik iets verloor.

Later bleek, dat ik jammer genoeg de ceintuur van mijn jasje had verloren. Moeder was daar beslist niet blij mee, nadat ze zo haar best had gedaan het jasje van parachutezijde te maken. Destijds heb ik me nooit afgevraagd hoe ze aan die zijde is gekomen.

Nadat ik over het natte gras van het weiland was gerend, ontdekte ik Vader op een of andere manier bij de smid Dijkema, ongeveer honderd meter vanons huis, waar hij voorzichtig om een hoekje keek om te zien wat bij zijn huis aan de hand was. Hij schrok op, toen hij plotseling voelde dat iemand hem aan zijn jas trok. "Wat in de wereld......" en toen glimlachte hij, met de smid aan zijn zijde, die het tafereeltje geamuseerd gadesloeg. Hij stuurde me naar huis, en kwam zelf ook een tijdje later, toen de Duitse officieren vertrokken waren.

De koffer bleek persoonlijke bezittingen van Achilles en Charlotte te bevatten, die van heel goede kwaliteit en – merken waren, wat een zekere welvarendheid van de bezitters suggereerde.
Op dat moment was het onmogelijk en zelfs gevaarlijk om de eigenaars op te sporen. Het bleef daarna een raadsel, waarom de koffer was teruggebracht en hoe de Duitse geheime dienst had ontdekt, dat ze bij mijn ouders in huis waren geweest. Een lange tijd waren mijn ouders heel voorzichtig en waakzaam, en letten ze op ieder teken van gevaar, maar er gebeurde niets. Het was of Achilles en Charlotte nooit hadden bestaan, en later was het onmogelijk hen nog op te sporen. Ze waren verdwenen in de nevel van de tijd, en ik neem aan, dat ze de oorlog niet overleefd hebben.

2. Het dorp Murmerwoude.

Het lintdorp Murmerwoude was onder die naam tot 1971 de hoofdplaats van de gemeente Dantumadeel. Het ligt aan de doorgaande weg van Veenwouden naar Dokkum, en bestond vermoedelijk al in de 6e eeuw.

De naam zou volgens de oude verhalen "moordenaarswoud" zijn, de plaats waar Bonifatius in 754 door woedende priesters vermoord zou zijn, nadat hij, vergezeld van soldaten, een heilige eik had omgehakt, die de plaatselijke Friese stammen vereerden.
De omgeving kent talloze overleveringen uit die tijd. In de toren van de Hervormde kerk te Murmerwoude (het huidige Damwoude) bevindt zich een opvallend grote steen, die volgens de legende een stenen Fries roggebrood is, dat een vrouw aan de zendeling had geweigerd toenhij hongerig om iets te eten had gevraagd. Haar brood werd daarna vervloekt en verander-de in steen.

Volgens Cornelius Kempius, een 16e eeuwse geschiedschrijver, zouden de heidense moordenaars hun straf niet ontlopen. Hun geslacht zou vervloekt zijn, hun kinderen zouden herkenbaar zijn aan een wit stukje in hun haar wat ze bij de geboorte al meegekregen. Het verhaal werd nog lang verteld en mensen met licht haar bleven verdacht.
Hiervoor pleit, dat het dorp in de vroege Middeleeuwen deel uitmaakte van een uitgebreid woud (vandaar de nog steeds gebruikte naam "Dokkumer Wouden"), dat grensde aan de smalle strook aangeslibde zeeklei, waarin de havenplaats Dokkum lag. Vanouds waren deze grensgebieden vaak de locatie van heilige plaatsen.Volgens andere geleerden is Bonifatius vermoord te Dokkum en is de kunstmatige terp waar deze stad op ligt ter ere van deze apostel gebouwd.

Om deze reden is Dokkum tot op heden een R.K. bedevaartsplaats. De naam Murmerwoude zou afgeleid zijn van Murimma therp, en heeft dan eigenlijk niets met de moord van doen. Het dorp zou dan vernoemd zijn naar "moarre" (moor in duits en engels), en naar een kunstmatige veenterp (therp), die in de loop van de tijd zozeer ingeklonken is, dat die niet meer als zodanig valt te herkennen, behalve aan de plantengroei, die verschilt van die uit de omgeving. De Friese naam van het dorp "Moarremwậld" pleit voor deze verklaring. .

Er stonden vroeger aardig wat voorname huizen in Murmerwoude. In 1881 werd deze plaats hoofdplaats van de gemeente met het gemeentehuis in het centrum, aan de Kruisweg. Het dorp heeft ook nog een kerk uit de 13e eeuw. Aan de Westkant werd het dorp bevindt zich een stuk onvruchtbare zandgrond ("De Hale") waar keuterboertjes tot na de oorlog in kleine huisjes een bestaan trachtten op te bouwen door schapen en geiten te houden.

Aan de Oostkant werd het dorp vroeger begrensd door weilanden. In 1971 besloot de gemeente, niet zonder verzet van de bevolking, dat de dorpen Dantumawoude, Akkerwoude, en Murmerwoude beter samengevoegd zouden kunnen worden. De naam van het nieuwe dorp werd Damwoude, gevormd door de beginletters van oude namen van de drie dorpen.
In de oorlogstijd lag het dorp in de route van de V-1 en V-2 raketten, die op Engeland werden afge-schoten. Vaak zagen we in de ochtendlucht hun witte strepen, en soms van een Duitse of Engelse jager. Later, maar dat was pas na 1942, trokken hele stoeten geallieerde bommenwerpers over de hemel, eerst alleen 's nachts, later ook overdag. Op 1 mei 1943 stortte een Engelse bommenwerper neer bij de Borken in Akkerwoude, nadat we het brandende toestel angstig laag over ons huis hadden zien vliegen.

3. Selma Frank, een tweede moeder.

Mijn broertje en ik noemden haar tante Henny, en wij hebben ons nooit druk gemaakt om haar achternaam, Böhmer, die even vals was als haar papieren.
Haar werkelijke naam was Selma Frank, en ik herinner mij, dat ze ineens in ons huis verscheen, en wij als kinderen accepteerden dat als heel normaal, zelfs al is het onwaarschijnlijk dat haar stevige Duitse accent ons is ontgaan.
Mijn ouders vertelden ons dat ze een Duitse vluchtelinge was, en pas veel later kregen we te horen, dat ze Joods was. Haar papieren waren zo goed vervalst, dat ze zich vrij in het dorp Murmerwoude kon bewegen.

Ze kwam in de loop van 1943 en bleef tot kort na de oorlog bij ons.
Ze was een vrouw, die geen blad voor de mond nam – tenminste toen ze voldoende aan haar nieuwe omgeving gewend was. Soms was ze zelfs wat onbeschaamd, wat geen wonder was, als je bedenkt wat ze allemaal in haar leven had meegemaakt. Ze handhaafde zelfs midden in de oorlog haar morele standaarden, ook bij de opvoeding van de kinderen.

Ze was hulp in de huishouding geweest in het gezin van Leo en Hilde Marcus, nadat ze voor haar veiligheid Duitsland had moeten verlaten. Ze was daar in ondertrouw met haar bruidegom Guttmann, die voordat ze getrouwd waren overleed aan TBC, na door de Duitsers gevangen genomen te zijn. In 1942 moest ze de familie Marcus verlaten, toen die moest onderduiken, en kwam ze op straat te staan. Na veel omzwervingen om een nieuw onderdak te vinden, belandde ze op onze stoep, bijna zonder enige bezittingen. Mijn ouders heetten haar welkom en lieten haar tot na de bevrijding bij ons blijven.

Selma nam geleidelijk de zorg en een deel van de opvoeding van de beide kinderen van Moeder over, die erg druk bezet was met de overige huishoudelijke taken. Vaak zaten we namelijk met meer dan tien mensen aan tafel, omdat bij onze gasten onderduikers, ondergrondse contacten en agenten zaten.
Selma Frank ("tante Henny")Ik kan me niet veel herinneren van de opvoeding die Selma ons gaf, behalve een paar dingen, die karakteristiek voor haar waren.

Bij één gelegenheid betrapte ze mijn broer en mij, toen we als een spelletje blaadjes van een vetplant aftrokken. Ze sprak ons ernstig toe en drukte ons op het hart, dat we niets zomaar kapot moesten maken. Op dat moment hadden we nog geen idee, waar deze sterke overtuiging vandaan kwam, maar later gingen we beseffen, dat deze houding veel van haar eigen oorlogservaringen tot uitdrukking bracht.

Selma was beslist geen softie. Ze had een sterk karakter, waardoor ze zelfs wel eens in verzet kwam tegen mijn tamelijk dominante Vader, als ze vond dat hij haar of Moeder met te weinig respect behandelde. Haar karakter kwam ook goed uit in haar reactie, toen mijn broer en ik ruzie maakten. Dan glimlachtte ze, en zei vriendelijk: "Jullie moeten elkaar maar flink slijpen".
Als ik nu terugkijk, kan ik zien, dat in haar een verborgen vuur van verontwaardiging brandde over de brutale vernedering en doodsbedreigingen, die de Duitsers de Nederlandse bevolking aandeden, en in het bijzonder de Joden onder hen. Kennelijk had ze het besluit genomen niet te zwichten voor de druk om een slaafse en onderdanige houding aan te nemen, maar met moed en waardigheid verzet te bieden tegen het machts-vertoon van de bezetter.

Dat werd bijzonder duidelijk bij een onvergetelijke gebeurtenis. Ons vrijstaand huis werd aan de Zuidkant omringd door een grindpad, waardoor iedereen goed te horen was, die daarop liep. We hoorden bijzonder zware stappen op dat pad, en daar verschenen twee weldoorvoede Duitse soldaten voor ons achterraam. Zonder veel plichtplegingen marcheerden ze ons huis binnen, en voordat we wisten wat er gebeurde, stonden ze midden in de woonkamer. Op dat moment kwam Selma in actie. Ze had toevallig een paraplu in haar handen, die ze als een ongevaarlijk geweer op de verraste soldaten richtte. Toen wees ze op het kinderbedje, waarin mijn broertje met bronchitis lag, en zei alleen maar één woord: "Tyfus !". Dat woord was veel effectiever dan haar zogenaamd geweer, dat de op de geamuseerde soldaten had gericht, want die vertrokken haastig, zo nu en dan over hun schouder kijkend, alsof iemand hen achterna zat. Deze scène maakte grote indruk op Moeder en ons kinderen.

Elke Zondag ging Selma met het gezin Schaafsma naar de plaatselijke Gereformeerde kerk. Het klinkt nu ongelooflijk, maar in 1944, bijna in de periode van de bevrijding, was er een landelijk theologisch conflict in die kerken gaande.

Terwijl de kogels ons om de oren vlogen, legde de hoogste kerkelijke autoriteit, de synode, een leer aan de kerkleden op,waartegen een grote minderheid in verzet kwam. Het resulaat was, dat op één Zondag honderden predikanten en ouderlingen van hun ambt werden ontheven. In deze kerkstrijd moest Selma niet alleen doen alsof ze een trouw kerkganger was, maar ook moest de buitenwereld denken, dat ze de zijde van mijn ouders koos in het conflict over de leer van de kerk. Dat deed ze zo effectief, dat ze tegenstanders met argumenten kon overtuigen, terwijl ze er zelf niets van geloofde. Dat ging zo ver, dat zelfs de beste vrienden van mijn ouders geloofden, dat ze een oprechte Gere-formeerde gelovige was, terwijl ze dat natuurlijk niet was. Na de bevrijding waren die vrienden geschokt, toen ze ontdekten, dat ze de hele tijd voor de gek gehouden waren.

Ik herinner me de tijd met tante Henny als een heel gelukkige, omdat ze zelfs in deze verschrikkelijke tijden een stabiliteit en moed liet zien, en het vermogen om een veilige en liefdevolle atmosfeer om haar heen te creëren. Ze kon bijvoorbeeld heerlijke verjaardagstaartjes maken uit meelkoekjes, eigengemaakte jam, en roomboter, die we zelf karnden uit verse volle melk, die we bij boer Jan Gosses Hoekstra haalden. Selma en mijn Moeder werden hartsvriendinnen. Ze schreiden hete tranen, toen Selma omstreeks 1947 naar de Verneigde Staten vertrok.

Ze trouwde daar met Max Gruenfeld in New York, een weduwnaar met één zoon, Norbert. In 1966 en 1968 bezochten mijn vrouw en ik de familie Gruenfeld, en ze onthaalden ons gastvrij. Moeder bezocht hen in New York in 1975(?).

4. Het gevecht met de duisternis.
De mensen in de Gereformeerde kerk namen in meerderheid gedurende de eerste oorlogsjaren en neutrale een afwachtende houding jegens de Duitsers aan. Dit kwam, omdat ze niet bijzonder gecharmeerd waren van de Britten, en hoe die in de Boerenoorlog in Zuidafrika hadden huisgehouden. Deze Boeren hadden grotendeels Nederlandse voorouders, en waren bovendien steile Calvinisten.

De Boerenoorlog werd gepopulariseerd door de schrijver L.Penning, die een serie boeken publiceerde over de strijd van de Boeren met de Zoeloes en de Britten. Anderzijds was de theologie van het Gereformeerde volksdeel, dat een sterke en actieve minderheid in het land vormde, geöriënteerd op Duitsland.
Zelfs na de Duitse invasie van Nederland, die de koninklijke familie dwong in Engeland in ballingschap te gaan, waren er invloedrijke theologen, zoals de hoogleraren H.H.Kuyper en V.Hepp, die politiek openlijk de Duitse kant kozen.

Veel kerkleiders hielden hun mond, en durfden niet voor hun mening uit te komen. Er was tenminste één uitzondering: de jonge en begaafde hoogleraar Klaas Schilder. Hij kwam in het weekblad "De Reformatie" openlijk uit voor zijn standpunt over de Duitse bezetting en riep zijn lezers op om uit hun geestelijke schuilkelders te komen, en openlijk te kiezen voor recht en gerechtigheid.
Hij kon grote aantallen Gereformeerden er van overtuigen, dat zij niet langer neutraal konden blijven. Al snel daarna moest hij onderduiken, en het blad kreeg een verschijningsverbod. Mede als gevolg van deze ontwikkelingen bestond de Nederlandse ondergrondse beweging voor een belangrijk deel uit orthodoxe christenen en communisten.

Beide hadden gemeenschappelijk, dat ze door een geestelijk gevecht waren gegaan, voordat deze groepen het fysieke gevecht met de Duitsers aangingen. De communisten het eerst internationaal, de orthodoxe christenen later, en dan bijna uitsluitend op nationaal niveau, o.a. omdat de contacten met Duitse anti-nazi medechristenen uiterst beperkt waren.

Vader was een tamelijk precieze ambtenaar, en sommige mensen hielden daar helemaal niet van. Hij was niet iemand, waar je gemakkelijk mee om kon gaan.
Als hij het niet op iemand begrepen had of hem niet vertrouwde, was er geen enkele manier om dat te veranderen, zodat hij jegens die persoon zijn leven lang onvriendelijk bleef doen. Hij was aan werk verslaafd, wat hem vaak afwezig deed zijn uit het gezin, omdat hij op kantoor werkte, of bezig was met één van zijn trips. Hij nam zijn werk als gemeenteontvanger heel serieus, en bracht vaak late uren in het kantoor door om een fout in de kasboeken op te sporen, ook al was dat vaak niet meer dan een paar centen. Hij beschouwde het zelfs als diefstal om een potlood uit het kantoor mee te nemen.

Het kantoor bood Vader een betrekkelijk veilige gelegenheid om zijn illegaal werk te doen, natuurlijk veelal 's avonds.
Hij was onder de schuilnamen Braaksma en Jansma betrokken bij allerlei ondergronds werk, in het begin vooral het onderdak brengen van onderduikers en Joodse landgenoten, maar later ook bij ander werk, zoals bij de functie van administratief hoofd van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (N.B.S.) in de regio, medewerker van het Nationaal Steunfonds (N.S.F.), dat nabestaanden van omgekomen verzetstrijders en onderduikers financieel ondersteunde, maar ook bij gevaarlijke acties als het verzamelen en transporteren van wapens.

Moeder steunde hem bij dit werk zoveel ze kon.
Vader zegt als antwoord op een vraag in een enquete van Mei 1945 "Hoe was de houding van Uw vrouw en familie ten opzichte van Uw werk?": "Van mijn vrouw: reusachtig". Zelf was hij heel bescheiden over zijn rol in het verzet.
Op een vraag uit dezelfde enquete: "Aan welke belangrijke gebeurtenissen hebt U meegewerkt?" hij schrijft als antwoord: "Ik geloof geen aandeel te hebben gehad in belangrijke gebeurtenissen, of het moest al zijn, dat ik een paar keer een zware in huis heb opgeborgen gehad."
Over deze activiteiten zijn een aantal vermakelijke verhalen te vertellen.

Op een van zijn fietstochten, waarop hij wapens vervoerde had hij met een vooruitziende blik één fietstas volgeladen met een stapel van de Duitsgezinde krant Volk en Vaderland, terwijl de andere fietstas een aantal revolvers bevatte.
Hij reed met de schaars verlichte fiets (vanwege het verduisteringsvoorschrift moesten ramen en voertuigen zo weinig mogelijk verlichting naar buiten laten schijnen) langs de bijna pikdonkere landweg, toen hij plotseling werd gestopt door twee N.S.B. landwachters, die hem vroegen wat hij in de fietstassen vervoerde.
Op dat moment realiseerde Vader zich, dat hij compleet vergeten was in welke fietstas de wapens zaten en in welke de kranten. Hij besloot dat hij een greep in één er van zou doen. Als het de verkeerde fietstas was, zou hij de twee landwachten neerschieten, en als het de fietstas met de kranten was, zou hij doen alsof hij ook van de N.S.B. partij was. Hij nam het risico, en stak zijn hand in één van de fietstassen, en voelde tot zijn grote opluchting de kranten, die hij te voorschijn haalde. Met een knipoog zei hij: "Kameraden, we zijn collega's" waarna ze hem met een glimlach doorlieten, helemaal onwetend aan welk gevaar ze waren ontsnapt.

Vader had eens 's avonds op zijn kantoor oranje gekleurde oproepen voor de spoorwegstaking op de toonbank uitgespreid, toen er iemand aanbelde.
Moeder stond toevallig in de gang, en deed de aanbeller open. Het bleek een beleefde Duitse officier te zijn, die zij nietsvermoedend binnenliet. De man liep tot ontzetting van Vader vanuit de gang het kantoor binnen.
Vader kwam hem onmiddellijk tegemoet, maar op één ding bedacht: ik moet zijn aandacht zien vast te houden, en hem dan met een zoet lijntje het kantoor uitwerken. Zijn opzet lukte, en de officier werd in de nette voorkamer gelaten, terwijl Vader zich even excuseerde - om bij te komen van de zenuwen.
Het bleek, dat de officier kwam vragen of hij voor de Ortskommandatur de typemachine mocht lenen. Vader maakte hem duidelijk, dat hij de machine heel vaak nodig had, en dat er alleen van uitlenen sprake kon zijn, als die 's avonds om 11 uur werd opgehaald, en 's morgens om 7 uur weer werd teruggebracht, denkend, dat deze conditie zo veeleisend was, dat het uitlenen niet door zou gaan.
Hij was onaangenaam verrast, toen de officier hem dankbaar verzekerde, dat hij zich aan deze afspraak zou houden. In de daarop volgende weken kwam een soldaat punctueel om 11 uur de typemachine halen en de volgende dag om 7 uur weer terugbrengen. Later bleek, dat de reden voor het lenen was, dat de ondergrondse van de Duitsers hun typemachine had gestolen....

Op een mistige winterochtend aan het eind van de oorlog herinner ik me dat ik in de vroegte een aantal mannen achter elkaar aan richting Veenwouden voorbij zag fietsen, gebogen over het stuur, en met hun pet diep in de ogen gedrukt. Nu lijkt dat heel gewoon, maar toen trok dat onmiddellijk mijn aandacht, omdat in de oorlog niemand zo vroeg en zo snel op de fiets reed.
Wat was het geval? Op 19 januari 1945 worden drie arrestanten, waaronder de apotheker Gunster, van Dokkum naar Leeuwarden vervoerd.

Het transport gaat via De Valom, waar toen nog een opklapbrug was. Omdat Gunster onder verhoor zou kunnen breken besluit het verzet om bij De Valom de arrestanten te bevrijden. Ze draaien de brug een klein stukje open waardoor de auto moet stoppen. Het was de bedoeling om bij deze actie geen schot te lossen maar het gaat mis. Van beide kanten wordt geschoten. Eén Duitser, een topman van de S.D. komt om en de Belgische chauffeur raakt zwaar gewond en sterft later aan zijn verwondingen. De bevrijdingsactie is succesvol, alleen Gunster raakt gewond aan zijn knie.

In de auto zit ook de SD commandant Grundmann die de aanslag overleeft en ontkomt. Hij is woedend en wil wraak nemen door Dokkum te bombarderen. Maar is zelfs de Duitse legerleiding te bont. Ze besluiten om 20 gevangenen uit de gevangenis van Leeuwarden en Groningen, bij Dokkum te executeren. Op 22 januari werden aan de Woudweg bij Dokkum twintig gevangenen neergeschoten. Een aantal van hen kwam uit onze streek. Dit is de grootste massa-executie die er in Friesland heeft plaatsgevonden.
Op de plaats waar deze misdaad werd gepleegd staat nu een monument.

5. Schoten.

Zijn achternaam was van Dijk, maar zijn werkelijke naam was Vergonet. Het was een aardige man, en hij kwam op een dag naar ons huis. Mijn broertje en ik zaten vaak op zijn knie, totdat Moeder ons zei dat we naar bed moesten, wat we tenslotte ook deden, nadat we hem een nachtkusje hadden gegeven. Wij kinderen hielden onmiddellijk van hem, omdat hij prachtige verhalen kon vertellen.

Hij was in feite een wolf in schaapskleren, die een duivels spel speelde: hij vroeg geld van Joodse mensen om hen een schuiladres te bezorgen, om daarna naar de Gestapo te gaan en opnieuw betaald te worden voor het verraden van dezelfde Joden. Vader had niets in de gaten, en zag hem vaak, wat misschien heeft bijgedragen aan de verdenking, die na de oorlog blijkbaar is ontstaan, dat hij ook een dubbelspel speelde . Toen kwamen er waarschuwingen, dat Vergonet niet deugde, die gegrond bleken, en dat had tot gevolg dat het verzet besloot, dat hij gestopt moest worden. Hij werd op 27 October 1943 op klaarlichte dag in Groningen op straat geliquideerd door revolverschoten vanaf een passerende motor. gunshots of a passing motor biker.

Er waren ook andersoortige schoten. In de laatste oorlogsjaren namen de Duitse strijdkrachten steeds meer hun toevlucht tot repressailles door mensen te vermoorden, meestal gevangenen, wanneer het verzet een succesvolle actie had ondernomen. Een van de meest beruchte methoden stond bekend onder de naam Silbertanne moorden, waarbij een speciaal S.S. commando (het Sonderkommando Feldmeijer) bij willekeurige woningen langs ging, aanbelde, en degene die open deed, neerschoot. Het is voorgekomen, dat op één avond 20 burgers op deze manier de dood vonden.

6. The Marcus family.

In dezelfde periode was de familie van Leo en Hilde Marcus met hun drie dochters Frances, Fien en Judith korte tijd bij ons. Deze familie had ook vervalste papieren, waarin Leo zoveel vertrouwen had, dat hij op zekere dag naar de Ortskommandantur (het plaatselijk hoofdkwartier van de Duitse bevelhebber) en eiste, dat hem een fiets ter beschikking zou worden gesteld, omdat hij lid was van de plaatselijke evacuatiecommissie, die voor vluchtelingen zorgde uit andere delen van het land.
Hij kreeg de fiets en was toen de enige persoon in het dorp met een fiets op echte luchtbanden. Ieder ander moest op fietsen rijden met zogenaamde "kuschen-banden", die gemaakt waren van vaste rubber zonder enige flexibiliteit.

Leo Marcus kon niet stilzitten, dus bedacht hij telkens weer iets om niet compleet gek te worden. Op een dag stonden mijn ouders verstomd toe te kjken, toen hij in het grasveld vóór het huis, dat aan de hoofdweg door het dorp lag, houtblokken in stukken stond te hakken. Zijn vrouw Hilde zag het allemaal met een glimlach aan.

7. De bevrijding.

De bevrijding herinner ik me heel goed. Ik was toen bijna 8 jaar, en het was begin Mei. Er gingen al een tijdje geruchten, dat de Canadezen in aantocht waren. Het liep al tegen de avond, toen er geroep klonk, en de mensen de straat op liepen, en ons hele gezin ook. Mijn broer en ik hadden onze pyama'tjes al aan, en we zagen de lichte tanks aankomen (die nu veel keiner leken dan toen), helemaal volgeladen met gehelmde verzets-mensen in hun blauwe overalls, die nadrukkelijk hun stenguns goed zichtbaar voor zich hielden. Ik weet niet meer of we gejuicht hebben, maar wel, dat iedereen erg blij was. Een Canadees kwam later bij ons in huis, en van hem kregen we chocola en een parachutistenmes. NSB-ers, en ook onze buurman werden gevangen genomen en liepen met de handen in de nek door het dorp.

De oorlog was voorbij.
Verzetsmonument gemeente Dantumadeel

------------------
Op http://www.tresoar.nl/ gevonden over opa Schaafsma
Uit de stukken blijkt dat hij een paar schuilnamen had en dat hij hoofd van de secties XI en XII van district I van de NBS (Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten) was.

Documentatiemateriaal
Stukken, opgemaakt na 15 april 1945
Stukken, opgemaakt ter vastlegging van hetgeen tijdens de Tweede Wereldoorlog is gebeurd
Stukken betreffende het verzet
Algemeen
Verslagen en aantekeningen betreffende het verzet
Verslagen en enquêteformulieren, opgemaakt, c.q. ingevuld door oudverzetstrijd(st)ers, en verslagen van interviews van oud-verzetstrijd(st)ers betreffende hun verzetservaringen, , 1945-1951.
Hiemstra / Brantsma = Sierk Sierd Schaafsma, gemeenteontvanger Dantumadeel 1. NBS (hoofd secties XI en XII van district I) 3. Illegale namen (Ypma)

Bronnen:
titel Friesland annis Domini 1940-'45 : bijdrage tot de geschiedenis van het Georganiseerde Verzet in Friesland / Y.N. Ypma samengest. in opdracht van de Vereniging Friesland 1940-1945 auteur IJsbrand Nicolaas Ypma (1907-2001) jaar van uitgave 1953 uitgever Dokkum : Kamminga annotatie 25 cmillMet suppl.Met lit. opg omvang 355 p bron Repertorium Geschiedenis Nederland (ING) HinT (OCLC-PICA / UBA)
-------------------------------------------------------------------------------------
Leeuwarder Courant augustus 2007-------------------------------------------------------------------------------------
Artikel Nederlands Dagblad 17 augustus 2009

Vluchtelingen verbergen als elfde gebod

Geplaatst: 16 augustus 2007 21:31, laatste wijziging: 16 augustus 2007 21:31
door onze redacteur Petra Noordhuis


Over het verzetswerk van de gereformeerde dominee Marten Geertsema en van Sierk Schaafsma en zijn vrouw werd na de oorlog nauwelijks gesproken, maar gisteren zijn ze alsnog postuum onderscheiden.

LEEUWARDEN - In het Fries Verzetsmuseum is gisteren aan drie gereformeerde verzetsmensen postuum de Yad Vashem-onderscheiding uitgereikt. Het gaat om Sierk Sierd Schaafsma en zijn vrouw Anna Jacoba Schaafsma-Dijkhuis en om ds. Marten Geertsema. Zij mogen nu 'rechtvaardigen onder de volkeren' genoemd worden.

Sierk Sierd Schaafsma praatte na de Tweede Wereldoorlog nauwelijks over zijn verzetswerk. Zijn zonen Tjeerd en Jan kwamen er pas op latere leeftijd tijd achter dat hun vader, die 'gemeenteontvanger' in de gemeente Dantumadeel (Friesland) was, heeft meegewerkt aan wapentransporten voor het verzet en dat hij een belangrijke rol heeft gespeeld in de financiële organisatie van de Spoorwegstaking.

Ook ontdekten zij dat hun vader tijdens de bezetting ,,onverschrokken'' solliciteerde naar de functie van burgemeestersecretaris van de gemeente Stedum, een NSB-functie onder Duits gezag. Deze sollicitatie had hij met enkele topmensen uit het Nederlands verzet voorbereid. Het was de bedoeling in het bezit te komen van alle in Stedum aanwezige persoonsbewijzen en bonkaarten, om ermee vandoor te gaan. Maar Sierk werd verraden, waardoor het gezin zich enkele maanden in een ander dorp moest schuilhouden.

Het grootste deel van Schaafs­ma's verzetswerk bestond uit het opvangen en onderbrengen van joodse onderduikers. Dat hebben zijn zonen tijdens de oorlog zelf meegemaakt, als jonge jongens. Tjeerd Schaafsma, de oudste zoon, nam de Yad Vashem-onderscheiding gisteren in ontvangst. Jan Schaafsma is vorig jaar overleden. ,,Deze onderscheiding is in zekere zin eerherstel voor mijn vader en moeder'', zei Tjeerd Schaafsma gisteren in het café van het Fries Verzetsmuseum, waar de plechtigheid plaatsvond. ,,Mijn moeder werd een verzetspensioen geweigerd, omdat mijn vader zich in de oorlog 'onvaderlandslievend' zou hebben gedragen.'' Sierk Schaafs­ma werd hiervan onder meer verdacht omdat hij had gesolliciteerd op de functie van burgemeestersecretaris in Stedum.

De Schaafsma's hadden tijdens de oorlog vele onderduikers in huis. Ze beschouwden de Bijbeltekst uit Jesaja 16 vers 3 b als 'het elfde gebod', verklaarde Tjeerd Schaafsma gisteren. Daar staat: Verberg de vluchteling, lever de ontheemde niet uit. ,,Onze grootste dank gaat uit naar onze ontzagwekkende God, die mijn ouders het elfde gebod in herinnering bracht'', zo eindigde hij zijn toespraak.
......

Joop Levy, vertegenwoordiger van de Israëlische ambassade, verwees gistermiddag in een toespraak naar een gezegde uit de Thora: Hij of zij, die één mensenleven redt, redt de hele wereld. ,,Zonder de dapperheid van deze 'rechtvaardigen onder de volkeren' zou ons vertrouwen in onze menselijkheid geen basis meer hebben. Zij hebben niet alleen een medemens gered, zij hebben ons ook het geloof in onze eigen menselijke waardigheid laten behouden.'' Yad Vashem Yad Vashem-onderscheidingen worden uitgereikt door het Instituut Yad Vashem, een Israëlische Rijksinstelling die in 1953 werd opgericht om de Holocaust te gedenken. Het instituut onderscheidt niet-joodse mensen die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog tegen 'onmenselijkheid' hebben verzet. Sinds 1956 hebben al bijna 4800 Nederlanders de Yad Vashem-onderscheiding gekregen. De onderscheiding bestaat uit een oorkonde en een medaille. De namen van de mensen die worden onderscheiden, worden in Jeruzalem bijgeschreven op een speciaal voor dat doel gebouwde eremuur. Yad Vashem is een tekst uit Jesaja en betekent: Ik zal U binnen mijn muren een naam en een plaats geven.







---------------------------------------------------------------------------
Dankwoord (Sierk Sierd) Christiaan Schaafsma namens Jan Schaafsma

Dankwoord uitgesproken tijdens de uitreiking Yad Vashem aan Sierk Sierd Schaafsma en Anne Schaafsma-Dijkhuis (en dominee Geertsma) door Christiaan Schaafsma, oudste zoon van Jan Tjeerd Schaafsma, overleden december 2006.


Geachte vertegenwoordigers van de Israëlische ambassade, familie, vrienden, kennissen en overige belangstellenden,

Wat een bijzondere middag hebben we achter de rug. Het is een middag om dankbaar voor te zijn maar ook om stil van te worden. Het is ook een middag vol rechtvaardigheid.

We hoorden namelijk van drie mensen die rechtvaardig zijn bevonden. Hoe mooi is het om te horen dat in tijden van onrechtvaardigheid juist die mensen nog bestaan.
Het stemt mij als kleinzoon van mijn opa en oma Schaafsma natuurlijk met trots dat ook zij rechtvaardig waren, ondanks de kwade tongen die het tegendeel beweerden.

Het moet voor onze overleden broer, oom en vader, Jan, een geweldige genoegdoening geweest zijn om te weten dat zijn vader en moeder niet “onvaderlandslievend” waren.
Het is voor mij dan ook een hele eer om hier namens mijn vader, die zich vele uurtjes getrooste om achter de waarheid te komen, een dankwoord te mogen uitspreken.

Ik weet dat mijn opa en oma zich er nooit op voorstonden want zij zagen dat hun rechtvaardigheid niet uit hun eigen hart kwam maar uit die van de Rechtvaardige die wij God onze Vader mogen noemen.

Mijn dank gaat ook uit naar de vertegenwoordigers van Yad Vashem, dat deze organisatie bestaat is erg belangrijk, zij zorgen dat de schijnwerper blijft gericht op die groep mensen die wél het goede voorhadden met hun medemens.

Ik dank ook alle aanwezigen die met hun aanwezigheid getuigen zijn van dit eerbetoon aan mijn opa en oma.

In de laatste maar zeker niet in de minste plaats wil ik ook mijn oom Tjeerd ontzettend bedanken voor zijn bijdrage in dit geheel, hij liet met zijn grondige voorbereiding ons als familie meeleven met de geschiedenis en gaf daarmee een klein kijkje in de zorgen en problemen die mijn opa en oma tegen kwamen in de strijd om rechtvaardig te zijn.

Yad Vashem, mijn oom en mijn vader, hebben deze bijeenkomst tot een onvergetelijk moment gemaakt.

Ik hoop dat Yad Vashem de herdenking van de omgekomenen evenals het werk van de redders zal voortzetten.

Want op deze aarde kunnen we niet genoeg rechtvaardigen hebben.

Ik dank u voor uw aandacht